Wat is van waarde?

“Je verdient het”, “gun het jezelf”,“je bent het waard”, het zijn kreten die regelmatig geuit worden. Ze worden vooral gebruikt om iets aan te prijzen. Blijkbaar is het voeden van ons gevoel dat we iets waard zijn een goede ingang om een produkt te slijten, of het nu gaat om de nieuwste telefoon, een weekendje weg of een cursus mindfulness.

Het gevoel van waarde te zijn lijkt niet vanzelfsprekend. Het is niet voor niets dat er zoveel boeken, coaches en hulpverleners zijn om te leren hoe om te gaan met aspecten van jezelf, je mindset te veranderen, alles uit jezelf te halen, je eigen toekomst te kiezen. Er is veel nadruk op het individu en het gaan voor eigen geluk en welzijn. Waar op zich helemaal niets mis mee is! Alleen, waar komt dit uit voort?

(Foto: Pxhere)

Zelfwaarde lijkt vaak samen te gaan met: wat doe je, wat presteer je? Hierbij gaat het om zichtbare en tastbare gegevens, zoals hoeveel uur werk je, hoeveel cursussen heb je gedaan, hoeveel boeken heb je gelezen of geschreven, hoeveel vrienden heb je, welke landen heb je gezien. Maar zelfwaarde staat los van doen, staat los van wat ik produceer of welke rollen ik allemaal uitvoer.

In mijn werk als psycholoog ben ik het geworstel met zelfwaarde vaak tegengekomen. Een worsteling die op verschillende manieren naar buiten komt. Zo kan het leiden tot overcompenseren: jezelf op de voorgrond zetten, slecht luisteren en gesprekken (onbewust) gebruiken om over jezelf te praten, over-assertief zijn. Een andere manier is verhullen: behulpzaam zijn, vriendelijk zijn en altijd klaar staan voor anderen. Tot slot is dempen ook een gebruikelijke manier. Dempen kan allerlei vormen aannemen, zoals veel kopen, veel afspraken hebben, veel eten, veel streamen, veel werken, alles om maar niet te voelen.

De worsteling met zelfwaarde ben ik ook in mijn eigen leven regelmatig tegengekomen. Een periode waarin dit thema heel duidelijk werd, was toen ik definitief arbeidsongeschikt werd verklaard. Geen baan, geen functie, geen collega’s, geen structuur. Mijn kinderen waren het huis uit, dus ook die rol was er niet meer. Sociale activiteiten waren sluipenderwijs uit mijn leven gebannen, omdat ik al mijn energie had gebruikt om de steeds verder afnemende werkuren vol te houden. De pijn in mijn lichaam kostte veel energie. Mijn dag bestond slechts uit opstaan, mijzelf verzorgen, eten en mijn lijf door de dag heen in balans proberen te houden met zitten, slapen en bewegen.

Gestript van alle rollen, wat blijft er dan over? Het was een vraag die zich levensgroot opdrong. Mijn gevoel van zelfwaarde werd tot dan toe ondersteund door iets voor anderen te doen, iets te betekenen. En mijn beroep als oncologisch psycholoog was daarbij behulpzaam. Maar als er geen energie meer is om je zo uit te drukken, wat dan? Als er niets meer is om je aan vast te houden, wat blijft er dan over? Een koan, zoals het dagelijks leven die continu biedt.

Voor mij betekende het de onzekerheid ingaan. De gedachten, emoties en lichamelijke sensaties rondom het wegvallen toestaan en voelen. En iedere keer als ik opmerkte dat de neiging tot invullen, fantaseren of mijn ogen sluiten weer opdook, deze neiging loslaten. Terugkeren naar dit-hier. Iedere keer weer terugkeren. Tijdens het douchen, tijdens het eten, tijdens het koffie zetten, tijdens het liggen. Niet om iets te veranderen, maar om het leven hier & nu te proeven.

Wat ik op een gegeven moment proefde in deze vrije val was heel direct. Het was ook heel eenvoudig: een kwetterende mus, de beukenboom in de verte, het ruisen van de verwarming. De eenvoud was verpletterend, bijzonder en woordloos. 

Toen ik pas de voorouder Ryonen bestudeerde voor een van mijn maandelijkse bijeenkomsten, werd ik getroffen door een vergelijkbare eenvoud. Door de weken heen ging ze steeds meer onder mijn huid zitten, alsof de eeuwen die tussen onze levens lagen, wegvielen.

Ryonen leefde rond 1200 in Japan. Ze had al langere tijd zen beoefend en had zich laten wijden tot non. Toen ze ongeveer 60 jaar was, kwam ze bij de 35 jaar jongere Eihei Dogen, de bekende zenmeester. Hij was diep onder de indruk van haar doorleefde inzicht, en zou opgetekend hebben dat zij hem verreweg overtrof in het begrip van de boeddhistische leer.

We hebben geen geschriften van Ryonen, geen uitspraken. Het enige wat er is, zijn teksten van Dogen gericht aan haar. Een vrouw was in die tijd een tweederangs schepsel. En een óude vrouw was al helemaal onbeduidend. Ze had geen status, geen titel. Dogen was door zijn jaren in China ruimdenkender geworden richting vrouwen, omdat hij daar voorbeelden zag van vrouwelijke beoefenaars en vrouwelijke zenmeesters. Toch heeft hij geen transmissie gegeven aan vrouwen. Ook Ryonen heeft hij geen dharma-overdracht gegeven (durven geven?). Hoe was het voor Ryonen om een vrouw te zijn, een vorm te hebben die gezien werd als minder, als beperkt. Is ze boos geweest? Is ze hier verdrietig over geweest? Of kwam het niet in haar hoofd op, dat alle wezens gelijkwaardig zijn? Of was ze juist zozeer daarvan doordrongen dat ze de daadwerkelijke situatie accepteerde?

Het beeld dat voor mij naar voren komt, is een vrouw die gewoon haar dagelijkse dingen deed binnen het kloosterleven. Zonder opsmuk. Het lijkt dat ze zich niet laat leiden door uiterlijke dingen. Wel of geen transmissie, daar gaat het niet om. Wel of geen erkenning van anderen, daar gaat het niet om. Geen toespraken, geen commentaren op teksten die ze bestudeerd heeft. Ze is geen club gestart. Een indrukwekkend voorbeeld in al haar gewoonheid.

Ryonen heeft geleefd, vanuit haar diepe begrip, waarbij het niet gaat over wat je presteert. Ze lijkt uit te drukken dat de waarde zit in het zijn, in het toelaten van het moment precies zoals zich dat voordoet. Deze ‘gewonigheid’ heeft blijkbaar veel respect en bewondering opgeroepen bij haar leraar.

Huismussen (Foto: Pickpik)

En al heeft ze geen letter nagelaten, ze klinkt achthonderd jaar later nog steeds door. Ze is opgenomen in de cirkel van vrouwelijke voorouders van zen. Je kunt haar horen als je kijkt met je oren, luistert met je huid. Het sijpelt door, in je cellen en je botten. 

Binnen de zentraditie wordt wel gesproken van ’overdracht buiten de woorden om’. Dit is wat Ryonen naar mijn idee letterlijk heeft gedaan. Wonderlijk hoe dat werkt! 

NOS-journaal

Regelmatig kijk ik het acht-uur journaal op tv. Het is handig dat je tegenwoordig niet meer precies om die tijd klaar hoeft te zitten, maar ook later kan kijken. Ik besef dat tv kijken inmiddels een ouderwetse bezigheid geworden is, wat ik weerspiegeld zie in de soms wat meewarige blik in de ogen van mijn zoons. Maar of je het nieuws nu ziet op tv of op een andere manier tot je neemt, het is een netelige kwestie. 

Want het nieuws biedt vaak beelden van veel ellende. Er is de ongelofelijke hoeveelheid menselijk leed die voortkomt uit oorlog, de wanhopige blik in de ogen van een mens, de absurde beelden van verminkte lichamen, de puinhopen waar moeders, zoons, baby’s, opa’s, geliefden onder liggen. Er is het onrecht vanuit machtsmisbruik, mensen die niet gehoord worden, waar eenvoudigweg overheen gewalst wordt, die gemarteld worden, de plotselinge verdwijning van een persoon die niet mag zeggen wat ze zegt. Er zijn natuurrampen die steeds vaker, steeds heftiger en op steeds meer plekken op aarde plaatsvinden. Er is plastic dat overal in zit, teveel stikstofoxiden, teveel ammoniak, teveel PFAS,  teveel gif. Diersoorten die uitsterven, afname van biodiversiteit, afname van het leven in de zee in een tempo dat stuitend is. De lijst is eindeloos! Zoveel leed!

Verbleekt en stervend koraal, Great Barrier Reef (Foto: NOS)

Hoe kan een mens dat aanzien? Want laten we wel wezen, dit is eigenlijk niet te harden! Zoveel leed, zoveel pijn, zoveel verdriet. Wat moet je daarmee? De neiging kan zijn om je af te wenden, een andere kant op te kijken en te zappen naar een ander kanaal. En ik moet eerlijk zeggen dat ik dat af en toe ook doe. Ik hoorde een zenmeester een keer zeggen: “Compassion without emptiness is unbearable suffering”. Ja, het ervaren van zoveel leed, onrecht, misbruik en uitbuiting is overweldigend. En als je de moed hebt om er naar te kijken, kan het je lam slaan.

Maar in dit afwenden omdat het te heftig is, merk ik tegelijkertijd iets bijzonders. Het getuigt van iets dat zo ongelofelijk is, dat mijn verstand het niet kan bevatten. Want waarom wend ik mij af? Het komt voort uit het ervaren van pijn en machteloosheid die ik niet weet te verdragen. Want de pijn van de ander ervaar ik hier. Het verdriet dat ik zie is niet dáár, maar voel ik híer! De absurde realiteit is dat als ik écht kijk, de ander niet buiten mijzelf is, maar hier zit. En dat is een ervaring die niet strookt met onze doorsnee zienswijze waarin ik hier zit en jij daar. De gebruikelijke opvatting is dat we losse, zelfstandige individuen zijn. Maar is dit wel zo?

De pijn en onmacht die ik voel bij het zien van het leed, toont iets heel anders. Het laat me de onlosmakelijke verbondenheid ervaren. Een verbondenheid die onder de huid zit. Zó dichtbij, zó rauw dat ik het meteen naar buiten projecteer als dat het enige is dat ik kan zien. Als alleen de schrijnende, bijtende pijn wordt gevoeld, is het onhoudbaar. 

In de cirkel van het Women Ancestors Document staan twee namen: Kannon en Prajnaparamita. De twee begrippen waar die zenmeester het over had met ‘compassion and emptiness’. Kannon – of Kanzeon, beide Japanse namen – is de bodhisattva van het mededogen, in het Chinees ook wel Guanyin genoemd. In het Sanskriet heet ze Avalokiteshvara, en is dan afgebeeld als een man. Kannon is de verpersoonlijking van het zien en horen van leed met de natuurlijke, vanzelfsprekende behoefte om dat te verminderen.

Kannon met de duizend armen (Foto: Flickr – Eden, Janine and Jim)

Het is het open hart dat zich verbonden weet met alles en iedereen om zich heen, en van daaruit de natuurlijke aandrang heeft om te helpen. Het is een verbondenheidwaarin ik en de ander bestaan als de verschillende onderdelen van één lichaam: je kunt die onderdelen niet apart van elkaar zien. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en verweven. Het is één lichaam dat niet in delen uit elkaar te halen valt, maar waarin alles in elkaar past en elkaar dient. Een lichaam waarin alle organen, weefsels en botten één geheel vormen. Als ik me stoot, wrijft mijn hand vanzelf over de plek om de pijn te verzachten. Je ziet deze pure verbondenheid soms terug in noodsituaties waarbij de eerste impuls is om een levend wezen onder het puin weg te halen, ook al is dat met gevaar voor eigen leven. Het zijn de wonderlijke situaties waarbij mensen vanzelfsprekend handelen en delen. In het dagelijks leven kan het een – soms kleine – actie waarvan je achteraf verbaasd bent over jezelf, momenten die we waarschijnlijk allemaal weleens meegemaakt hebben.

Daarnaast is er Prajnaparamita, de bodhisattva van onderscheidende wijsheid. Het wordt ook wel de wijsheid voorbij wijsheid genoemd, een wijsheid die voorbij gaat aan wat het ik kan of weet.

Prajnaparamita, bodhisattva van transcendente wijsheid (Foto: wikimedia)

Het is de helderheid waarin het verschil herkend wordt tussen enerzijds de directe realiteit en anderzijds de sluiers die het ik over het ervaren drapeert, zoals opsplitsen, externaliseren, beoordelen, veroordelen. De sluiers die de flexibele ervaring verharden tot een zogenaamde wereld van aparte dingen met een eigen bestaan. De sluiers die de wonderlijke realiteit reduceren tot concepten waar het leven uit is. Vanuit Prajnaparamita wordt dit herkend, en vallen de beperkende sluiers weg. In dit direct ervaren is alles precies zoals het ik, zonder binnen en buiten, zonder ik en jij, zonder goed en fout. Er is alleen hier-nu. Ook dit heeft vrijwel iedereen weleens ervaren. Vaak is dit van toen we nog kind waren en we minder door de sluiers bevangen waren. Maar ook later kunnen we momenten van direct ervaren meemaken. Bijvoorbeeld tijdens een wandeltocht, waarbij er alleen nog maar wandelen is en geen ik die wandelt. Het kan zijn als je naar een prachtige sterrenlucht kijkt (meestal op vakantie, want in Nederland hebben we dat steeds minder) en alles wegvalt. Het kan zijn bij dansen, muziek maken, muziek luisteren, stoofpeertjes schillen, je huis schilderen.

In het directe ervaren is geen pijn als zodanig, want de realiteit niet wordt opgedeeld. Geen persoon die iets heeft zoals pijn. Geen subject, geen object. Er is eenvoudigweg precies wat er is. Vanuit Prajnaparamita is dit moment volmaakt noch onvolmaakt. Het is. Er hoeft niets gedaan te worden, er hoeft niemand geholpen te worden, want er is geen ander.

Kannon en Prajnaparamita worden weleens de twee vleugels van een vogel genoemd. Het een is onlosmakelijk verbonden met het ander. Ze zijn twee weergaves van hetzelfde gebeuren. Het zijn geen polariteiten, maar ze vormen een niet te bevatten samengaan waardoor er geen lijden is en ook geen niet-lijden. Een combinatie waar ik met m’n verstand niet bij kan, maar wat heel duidelijk ervaren kan worden.Het schuurt, het pijnt, het is ongemak en tegelijkertijd is er een soort welzijn. Het is als een valse hoop die verdwenen is, waardoor er een zeer pijnlijke situatie is die tegelijkertijd beter te verdragen is omdat het klopt. De situatie is schoon, dit is het.

En dan? Gaat het dan beter? Nee, het vreemde is dat er eigenlijk niets veranderd is, maar dat het toch anders is. De pijn, het ongemak, de verwarring, het blijft allemaal. Ik ben alleen minder hard bezig om het buiten mij te plaatsen. Er is de erkenning dat ook dit erbij hoort. Dat ik dit ook ben. Iedere keer weer. Het ongemak als een dakloze bij de supermarkt mij aanspreekt, is nog even hevig. Want wat doe ik op zo’n moment? Geef ik wat geld, of is dat slechts het afkopen van mijn eigen ongemak? Geef ik de appel die ik in m’n tas heb zitten? Groet ik hem en geef ik wat van mijn tijd? Wat klopt? Het schrijnen blijft. Geen achterdeur, geen truc waarmee het ongemak verdwijnt.Hoe ongemakkelijk ook, tegelijkertijd ben ik de dakloze dankbaar dat hij er is. Want daarmee blijft het schrijnen, blijft het open, blijf ik de verbondenheid ervaren. Dit ongemak betekent dat ik leef, dat er geen hokjes met pasklare antwoorden zijn. Het is een herinnering aan iedere keer weer vanuit hier-nu kijken, luisteren en handelen.

(Foto: RTL nieuws)

Talloze keren ga ik hierin onderuit. Ik zie mijzelf hannesen. Soms weet ik dat het klopt en regelmatig weet ik dat het niet klopt. Mooier is het niet, en mooier wordt het niet. Het vreemde is dat ik mijzelf niet meer voor de gek kan houden. Ik weet, ik voel dat het niet klopt. Toch? Die helderheid is er. Het oog slaapt nooit. 

Retraite

Net terug van de vijfdaagse stilteretraite die we met mijn zenclub ieder jaar in januari hebben. Omdat ik vanwege mijn lichamelijke beperking niet alle periodes kan zitten, lig ik soms ook in de zendo. Het begin van de dag, ‘s ochtends om zes uur, vind ik een van de fijnste periodes. Het is donker en de nacht hangt nog in je lijf.

Liggend in de stilte
Treden bomen tevoorschijn
Geen nacht en geen dag

Pijn (1)

Er staat een (1) achter de titel, want voor mij is pijn een verschijnsel met heel veel perspectieven. Dus waarschijnlijk zullen er nog wel meer aantekeningen volgen met deze titel.

Mensen vragen mij weleens hoe ik omga met de pijn. Het korte antwoord is: wisselend.
Pijn is iets wat al tientallen jaren speelt. Zo tussen mijn 25e en 40e is het steeds meer mijn leven gaan blokkeren. Althans, zo voelde dat voor mij. Ik kon steeds minder, verloor mijn baan, en de verzekeringsarts maakte duidelijk dat ik niet op terugkeer naar werk hoefde te rekenen. Het voelde alsof ik in de verkeerde film was beland. 

De dagelijkse pijn was één grote worsteling. Ik weet nog dat ik een keer zo ongelofelijk kwaad was, dat ik servies tegen de muur wilde gooien, maar besefte dat dat niet lukte. Door de pijn kon ik niet goed uithalen om de borden tegen de muur te smijten. Dit verhoogde mijn woede alleen nog maar meer. Maar ook mijn radeloosheid, het gevoel opgesloten te zijn, het gevoel slachtoffer te zijn. Het was niet alleen de pijn zelf, maar ook de gevolgen die het had. Eigenlijk was ik één brok weerstand. Dit was zó wat ik niet wilde.

Een paar jaar later stond ik op een maandagochtend met moeite de was over een droogrek te hangen. Veel sokjes en broekjes van mijn twee peuters. Ze waren naar de crèche, omdat de Fries die middag en avond zou werken. Zonder zijn hulp of die van anderen kon ik niet langer dan een paar uur voor mijn kinderen zorgen. Terwijl ik daar stond voelde ik alleen maar frustratie en een zwart gat, omdat ik mij niet uit kon drukken. Geen werk, geen carrière, geen deskundigheid opbouwen, geen ontwikkeling, geen cursussen. Alleen maar sokjes ophangen! “Is dit nou mijn leven?”, vroeg ik wanhopig aan de Fries. “Ja, Ien, dit is je leven”. Ik was compleet met stomheid geslagen. Hoe kon hij zo iets hards zeggen? Maar ik voelde ook dat zijn reactie exact in de roos was, hoewel ik er lang, heel lang op heb moeten kauwen om het te verteren.

De Fries heeft niets met zen. Hij leeft gewoon zijn leven, op zijn eigen manier. Maar deze uitspraak was zo honderd procent zen! Inderdaad, dit is mijn leven. Dit is precies zoals het is. Dit is de situatie en van hieruit heb ik te handelen. Van hieruit beweeg ik. Niet vanuit een bepaald plaatje in mijn hoofd. Niet vanuit hoe het zou moeten zijn. Niet vanuit ‘ja, maar…’
De vraag is: kan ik opgaan in déze situatie? Kan ik buigen voor wat is, zonder ook maar iets te amputeren uit mijn leven? Buigen, niet als een slachtoffer, maar vanuit vertrouwen. Het vertrouwen dat dit precies klopt, wat het ook is. Eenvoudigweg omdat het de realiteit is.
Het is jarenlang een grote koan geweest voor mij. En nog steeds kan ik er door overvallen worden. 

Hoe kun je ‘ja’ zeggen tegen iets wat je niet wilt? Hoe kun je je weerstand loslaten? Mijn ervaring is dat dit niet kan, hoe graag ik dat ook wilde. Want op een gegeven moment voelde ik wel dat ik op een doodlopende weg zat waarbij ik alleen maar tegen een muur opliep. Telkens weer. Maar ‘ik’ kan niet loslaten, ‘ik’ bepaal dat niet. Dat is juist het paradoxale. Het enige wat ik kan doen, is ervaren wat er nu is. Hoe onverteerbaar dat ook is. Ja zeggen tegen de weerstand die ik voel. In m’n lijf tasten hoe dat is. Eigenlijk is dat het enige waar het over gaat: in je lijf blijven. Want daar manifesteert zich wat er is. Ben ik bereid om te ervaren, nieuwsgierig te zijn, open te zijn, zonder etiketten te plakken en zonder te weten?

Mijn neiging was echter om erover na te denken en te leven in de zogenaamde realiteit van mijn gedachten. Gedachten over de uitzichtloosheid, analyses over wat er verkeerd ging, plannen om de situatie te veranderen, rampscenario’s over de toekomst. 

Door dit te doen maak ik een scheiding en ben ik los van de ervaring. Ik sta niet met beide voeten in mijn leven. Ervaren doe ik met mijn lijf. Tastend. Dan kan ik opmerken dat ik bepaalde gebieden afsluit. Ik laat niet toe wat er is, maar probeer stukken weg te duwen. Eigenlijk zeg ik dat er niet mag zijn wat er is. Wat totaal absurd is. Want hoe kan ik van iets dat er al is, bepalen dat het er niet mag zijn? Hoe harder ik het er uit wil gooien, hoe duidelijker het wordt dat ook dit een deel van mij is. Echter, zolang ik een onderscheid maak tussen dit wel en dat niet, is er een groot probleem.

Stap voor stap, jaar na jaar is er verschuiving opgetreden. Niet door mij. Ik zou haast zeggen, ondanks mij, is er openheid gekomen. Is er minder weten en meer mysterie. Ja, dit is mijn leven. Dat betekent niet dat er geen frustratie meer is. Er zijn dagen dat ik grijs door het huis sjok. Dat ik me beklaag tegenover de Fries. Dat ik ronduit zit te sjimpen, omdat ik niet meekan naar een schaatswedstrijd waar het hele gezin met aanhang naar toe gaat. En toch, dit is het, ook dit is mijn leven! 

Spiegel

De plek waar ik thuis mediteer is met uitzicht op de tuin. Als de zon schijnt is er op sommige dagen een duidelijke weerschijn van mijzelf in de ruit van de tuindeuren. Ik zie mijzelf dan zitten met gras in mijn buik, de mussen hippen door mijn arm en de kersenboom staat naast me. Tegelijkertijd zit ik met muren om mij heen en het parket onder mij. Om het nog gekker te maken, is de vraag: wáár is het gespiegelde beeld? Daar? Maar wat is daar? Waar wordt het gezien? Hier!

Het doet me denken aan zenmeester Kakuzan. Ze leefde in de 13e eeuw en was abdis van een Japans klooster, Tokei-ji genaamd Dit klooster had een heel vreemd attribuut, namelijk een levensgrote spiegel. Kakuzan deed zitmeditatie pal voor de spiegel. Dag in, dag uit. Ze kwam hiermee tot diepe realisatie.

Een spiegelbeeld is een raar iets. Het woord beeld suggereert iets statisch. Terwijl de realiteit, dat wat we ervaren, niet statisch is. Is een spiegelbeeld  realiteit? De gewaarwording is er absoluut, maar wat is een spiegelbeeld? Ik kan het niet pakken, niet ruiken, niet horen. Sowieso is een spiegelbeeld omgekeerd van wat de ander ziet als ze naar me kijkt. Ook al zo raar.


In deze tijd van selfies hebben we ons spiegelbeeld nog nooit zo vaak gezien als nu. We zouden het door en door moeten kennen. Toch vinden we vaak dat een foto niet klopt. Veel foto’s worden verwijderd, omdat ze ‘niet goed’ zijn en ik ‘raar kijk’. Maar hoe ben ik dan? Wie ben ik? 

De laatste jaren is het aantal zoom-sessies geëxplodeerd. We vergaderen terwijl we tegen ons eigen hoofd aankijken. We videobellen met ouders, kinderen, vrienden en zien ons gezicht. Hoe vreemd, want juist ons gezicht is iets dat we nooit direct kunnen zien. Zoals het oog nooit zichzelf kan zien.

Mijn gezicht? Wie is die ‘mijn’? Kunnen we onszelf zien? Is er iets of iemand in mij die kan kijken naar mij? Is er een observator? Is er iets buiten mij dat kan kijken?
Er zijn gedachten, emoties, sensaties. Maar wat is hetgene dat denkt, dat voelt, dat hoort, ziet, snuift, bromt, lacht, wandelt? Met mijn menselijk brein loop ik hierop stuk. Het is als de vraag of chocola groot of klein is, vragen waar de rand van de aarde is, hoe lang gisteren duurt, waar de geur van de appeltaart is die ik volgende week eet. 

Na haar realisatie schrijft Kakuzan het volgende gedicht:

Spiraal

Pas zat ik samen met een paar zen studenten bij elkaar waarbij één iemand opmerkte dat ze in de afgelopen dertig jaar geen meter opgeschoten was. Ze kwam weer precies dezelfde patronen tegen als destijds, en aanbevelingen van haar toenmalige leraar kon ze vandaag de dag nog steeds één op één overnemen voor haar gevoel. Een aantal anderen herkenden dit volledig. Na twintig, dertig, veertig jaar nog steeds dezelfde valkuilen tegenkomen, nog steeds over dezelfde dingen struikelen.

In de 13e eeuw leefde een Chinese vrouw, Zhiyuan Xinggang Diep van binnen wist ze dat vrijheid mogelijk is. Maar hoe? Ze zocht en beoefende Chan (zoals zen in China wordt genoemd) en hoopte daarmee verder te komen. Maar jaren later was ze nog geen steek verder. Ze voelde zich belemmerd door haar traditionele verplichtingen, door haar dagelijks leven. De frustratie en wanhoop waren soms zo sterk dat ze niet meer at of dronk.

Deze hoop op verandering komt velen van ons bekend voor, mijzelf inclusief! Het is een vooruitgangsdenken ten aanzien van mijzelf waar de afdeling zelfhulpboeken in de (digitale) winkels op floreert.
Maar binnen zen is het ik geen zelfverbeteringsproject. We worden niet volmaakt. Ik hoorde dat iemand eens een zen voordracht begon met: “In buddhism there is no hope”. Tja, met zo’n eerste zin heb je gelijk de setting duidelijk gemaakt voor je toehoorders. Ik vind het een geweldige zin, en hij is me altijd bijgebleven. Want hiermee wordt de zinloosheid van bepaalde inspanningen gelijk duidelijk. De vrijheid zoeken via de weg van jezelf veranderen, bijschaven, oppimpen, inspuiten of wat dan ook is uiteindelijk een doodlopende weg.

Er is geen hoop, dat klinkt tamelijk hopeloos. Maar vreemd genoeg is het heel bevrijdend. Als je kijkt naar hopen dan impliceert dat namelijk het een en ander. Het betekent dat het nu niet goed is, maar (hopelijk) later wel. En hiermee worden er voorwaarden gesteld: eerst moet dit of dat gebeuren, dán …. (ben ik gelukkig, is de situatie goed, ben ik tevreden enzovoort). Dit wordt gedaan vanuit dualiteit, met ik-hier en dat-straks. Het gaat uit van gescheidenheid.  Door te hopen, wijs ik de realiteit af. Ik zeg in feite dat het huidige niet goed is en dat ik hetgeen er nu is, niet wil ervaren. Hiermee plaats ik de dingen buiten mijzelf en ontken ik  de voortdurende interactie van de dingen en hun onderlinge afhankelijkheid. Er ontstaat een wereld van op zichzelf staande mensen en voorwerpen die een schijnbare soliditeit hebben, los van elkaar. 
Volgens het boeddhisme zijn dit juist de processen die onze onvrede, frustratie en machteloosheid voortbrengen.

 

“Ze probeerde naar een plaats te lopen waar ze al bovenop stond.”

Wat als we niet hopen? Volgens zen is de situatie precies zoals het moet zijn, er hoeft niets veranderd te worden. Ik hoef mijzelf niet bij te schaven. Ik hoef geen vrijheid te bereiken, ik ben al vrij.
Hoe kan dat? Dat is precies waar Xinggang jaren en jaren op puzzelde. Ze probeerde iets te bereiken wat er al was. Ze probeerde naar een plaats te lopen waar ze al bovenop stond.

Zen gaat over ontwaken. Ontwaken uit de illusie en de beperking waar we doorheen kijken loslaten. Want we trekken grenzen waar ze er niet zijn. Zoals met de landkaart waarbij we zeggen dat dit Nederland is, en dat België. Zo hebben wij ook een denkbeeldige streep getrokken en een apart ik gecreëerd. Maar in werkelijkheid is de grens er helemaal niet. Het water van de rivier wordt niet opeens anders als het vanuit België Nederland instroomt.

Ook ik ben niet vast omlijnd. Er is geen gestold en op zichzelf staand ik. Het ik is als een ruimte waar ieder gevoel op kan komen, iedere gedachte, iedere herinnering, iedere voorkeur, iedere sensatie, ieder beeld. Niets hoeft weggemoffeld te worden.
Wat zich voordoet is continu veranderend, en daarmee verandert het ik continu. Hoe wonderlijk dat ‘ik’ ieder moment anders ben. Hoe wonderlijk dat ‘ik’ onbegrensd ben!

En ja, in die onbegrensdheid komen ook patronen op. Maar zoals de ruimte vrijelijk het ene voorwerp of het andere voorwerp kan huisvesten zonder te worden aangetast, zo kan ook ‘ik’ vrijelijk alle patronen ervaren. Patronen die zich altijd weer anders manifesteren. Er is een andere situatie met andere personen – inclusief mijzelf. Want in vergelijking met een vorige keer heb ik nieuwe indrukken erbij, andere ervaringen opgedaan en andere mensen ontmoet.


(Foto: Unsplash)


De pijn is anders, de frustratie, irritatie, verdriet, machteloosheid, angst is anders. We geven er woorden aan en daarmee lijkt het alsof we het over hetzelfde hebben als zoveel jaar geleden. Maar een woord is een soort bevroren situatie en kan nooit de uniekheid weergeven van dit-hier. Dus hoezeer het ook mag lijken dat ik op hetzelfde stuit als veertig jaar geleden, het is geen herhalend rondje dat ik loop. Het beeld van een spiraal komt dichter bij de ervaring. 

Daarnaast is er nog een bevrijdend perspectief vanuit zen. Het is niet alleen dat de patronen niet gefixt hoeven te worden, ze zijn bovendien juist datgene wat deze persoon tot precies deze unieke persoon maakt waarvan er geen tweede bestaat. Wat een bemoediging als ik mijzelf weer eens aantref midden in de rollercoaster van een patroon!

Dus ja, we hangen van patronen aan elkaar, en tegelijkertijd is dat geen obstakel voor volledige vrijheid. Misschien zit in dat ene woordje wel het grote verschil: volledig. Dat is waar het over gaat, namelijk dat alles zich kan manifesteren. En dat is iets anders dan volmaakt worden.

Na vele jaren herkende Xinggang haar ware natuur en schreef ze over haar dagelijkse bestaan:

‘Geen belemmering en geen beperking, vrij om overal heen te gaan’.

Overgangsperiode

Een paar maanden geleden, in juni, heb ik dharma transmissie gekregen van mijn Roshi. Ruim een jaar daarvoor kondigde hij dit aan bij mij. Op dat moment was ik niet verbaasd. Het leek gewoon voortgaan op de weg die ik ging. Een natuurlijk verloop, zoals de ene dag op de andere volgt. Je doet er niets voor, het gebeurt. Pas enige tijd later had ik momenten dat het me overviel. Waarom ik? Wat was er anders aan mij dan de andere leden van de gemeenschap? Ik had geen groot hemelbestormend inzicht gekregen, geen overweldigende levensveranderende ervaring. Waarom ik? Er waren momenten dat het voelde alsof ik ergens mee opgescheept werd. Wat moest ik doen als ik eenmaal zenleraar was? Wat kon ik nou voor zinnigs overbrengen?

Deze momenten ebden weg als ik herkende, dat ik er niet over ging. Het ik was niet degene die zich hier mee moest bemoeien. Juist niet. Vertrouwen was het enige. Vertrouwen waarin? Geen flauw idee. Puur vertrouwen, en me daaraan overgeven. Er valt niets te doen.

Hoe meer de transmissie week naderde, hoe vaker ik de vraag kreeg wat ik zou gaan doen als ik zenleraar en -priester zou zijn. Zou ik een sangha starten? Zou ik meditatie avonden gaan houden? Ik kon alleen maar antwoorden, dat ik geen flauw idee had. Sowieso zijn mijn lichamelijke beperkingen een bepalende factor. Maar ik merkte vooral dat ik totaal niet de neiging had om me voor te stellen hoe de toekomst eruit zou zien. Stap voor stap, en de voorbereiding voor de transmissie was op dat moment aan de orde.

De transmissie was een intensieve periode, een soort samengebalde energie waar ik van dag tot dag in meegenomen werd.
Een paar weken na de daadwerkelijke ceremonie volgde de zomervakantie. Samen met de Fries ging ik naar Bretagne om langs de kust te lopen. Een heerlijke tijd waarin we veel buiten waren. Ik genoot van de indrukwekkende natuur, de kleuren en de rust.

Eenmaal weer thuis kwam er langzaam een soort onzekerheid opzetten. Wat nu? Het voelde een beetje alsof ik niet meer wist wat onder en boven, links en rechts was. Wat heb ik te bieden? Wat moest ik gaan uitvoeren? Het werd me duidelijk dat er een overgangsperiode aan de gang was. Een transitie zoals iedereen wel eens in het leven meemaakt. Bijvoorbeeld na het afronden van een opleiding, waarbij de vraag opkomt: wat nu, welke richting ga ik op, wat voor soort baan zoek ik? Overgangsperiodes kunnen er ook zijn als je relatie eindigt, als een kind het huis uitgaat, als je stopt met werken, als er iemand overlijdt, noem maar op. Transities kennen we allemaal. Hoe gaan we daar mee om? Vaak komt er onzekerheid bij kijken. Er heerst onduidelijkheid. Hoe verder? Het lijkt een soort wachten, een tussentijd, alsof je de tijd uitzit tot de volgende periode. De neiging kan zijn om uit te tunen en als het ware op halve stand te leven. Maar hierbij vergeten we iets, namelijk: er is geen overgang. De lege ruimte is niet leeg. De onzekerheid, het schuren, het met mijn ziel onder mijn arm lopen is precies dit-hier. Of paradoxaal verwoord: het lege gevoel is vol van leegte. Kan ik daarin aanwezig zijn? Wat er nu is, is net zo levendig, net zoveel mijn leven als welke ervaring dan ook. Kan ik de onduidelijkheid en het niet-weten verdragen? Of nog een stapje verder: kan ik het niet-weten ervaren en door mij heen laten gaan? Zonder bezig te zijn met een doel, zonder bezig te zijn met een volgende periode waarin ik richting ervaar. Ik weet niet hoe lang de tussentijd duurt. Ik weet alleen dat er geen tussentijd is.


Soms kan de neiging opkomen om de schijnbaar lege ruimte op te vullen door allerlei bezigheden in te plannen. Bezigheden om het niet-weten weg te poetsen en niet te hoeven voelen. Om iets anders te creëren dan er is. Maar het gaat er niet om de situatie naar mijn hand te zetten. Het gaat over luisteren. Luisteren met mijn huid, luisteren met mijn ogen, luisteren met mijn vingertoppen. Kan ik me volledig laten absorberen door de situatie zonder dat ik gevoelens, ideeën, verwachtingen, beelden, meningen leidend laat zijn?