Biografieën – Japanse vrouwelijke voorouders

Voor algemene bronnen klik hier. Voor bronnen over Japanse voorouders zie ook het gelijknamige deel onder Literatuur. Waar relevant, worden bij de levensbeschrijving van de voorouder specifieke bronnen genoemd.

Zenshin (ca. 572-640)

De eerste persoon in Japan die tot boeddhist gewijd werd, was een vrouw. Haar verhaal staat kort beschreven in de Nihonshoki, de kronieken van Japan uit 720. Zenshin werd geboren in 572 en kreeg de naam Shima. Haar vader was gelieerd aan een van de drie belangrijkste clans, de Soga. Hij was waarschijnlijk een Japanse diplomaat voor Korea en een nazaat van Chinese immigranten. In de 3e en 4e eeuw werd het boeddhisme vanuit China in Korea verspreid. In de tijd van Shima was er via Korea ook in Japan enige bekendheid gekomen met deze nieuwe religie. Shima was de eerste Japanse boeddhist en werd gewijd in 584 toen ze elf jaar was. Hierbij kreeg ze de naam Zenshin. Tegelijk met haar werden ook twee andere meisjes gewijd, Zenzo en Ezen. Ze kregen onderricht van onder meer een Koreaanse non die naar Japan was gekomen.

Er heerste veel politieke rivaliteit in het land, en toen kort na de wijding van Zenshin een andere clan meer macht kreeg werd het boeddhisme hardhandig bestreden. De tempel van Zenshin en de twee anderen werd vernietigd, waarna de jonge vrouwen werden mishandeld en gevangengezet. De vrouwen bleven echter bij hun boeddhistische beoefening.

‘Chôshi in Shimôsa, houtsnede door Katsushika Hokusai, 1833

Toen het tij weer keerde en ze uit de gevangenis kwamen, staken ze de zee over naar Korea om een intensieve boeddhistische training te kunnen volgen, te mediteren en de boeddhistische teksten te bestuderen. De regel was dat ze minimaal twee jaar in een klooster moesten doorbrengen om aan te tonen dat ze niet zwanger waren.

Uiteindelijk keerden de drie vrouwen in 590 als volledig gewijde boeddhisten terug naar Japan. Zenshin kreeg veel volgelingen en werd gesteund door keizerin Suiko. Het boeddhisme breidde zich uit over het land. In 623 waren er 569 nonnen en 816 monniken in Japan.

Komyo (701-760)

Haar naam betekent Lichtgevende Helderheid, en ze wordt wel gezien als de belichaming van Guanyin, de bodhisattva van compassie. Komyo werd geboren in Heijo-kyo, zo’n 50 km ten zuiden van Kyoto en destijds de hoofdstad van Japan. Haar familie bestond onder meer uit keizerlijke regenten. Beide ouders van Komyo waren het boeddhisme toegewijd. Ze trouwde met de kroonprins, de latere keizer Shomu.  Onder het bewind van hem en keizerin Komyo zijn veel boeddhistische tempels gebouwd. Komyo heeft veel betekend voor het boeddhisme in Japan. Ze regelde dat bij iedere tempel voor monniken ook een tempel voor nonnen gebouwd werd, waardoor een heel netwerk van nonnenkloosters ontstond met Hokke-ji als belangrijkste klooster. Tevens faciliteerde ze veel maatschappelijke projecten uitgevoerd door nonnen, zoals medicijnen verstrekken aan armen, opvang van weeskinderen, en hulp aan armen en getroffenen door de oorlog. In 749 werd Komyo non en was daarmee de eerste persoon van de keizerlijke familie die tot boeddhist werd gewijd. Er wordt verteld dat ze zelf vele bedelaars en mensen met lepra waste vanuit haar compassie. Ook heeft ze ervoor gezorgd dat talrijke kopieën gemaakt werden van soetra-teksten. 

Een tekst, geschreven door keizerin Komyo in 744 (Uit: History of Japanese Calligraphy, Hachiro Onoue)

Tachibana no Kachiko (786-850)

Kachiko’s vader was een belangrijk staatsman. Hij overleed toen ze drie jaar was. Op haar 23e trouwde Kachiko met keizer Saga waarmee ze zeven kinderen kreeg. Ze was een toegewijd boeddhist en stuurde een monnik naar China om een ​​Chan-meester naar Japan te brengen. Dit was Giku (Chin: Yikung). Vervolgens stichtte ze een klooster, Darin-ji, waarvan Giku de abt werd. Hiermee werd Darin-ji de eerste zentempel van Japan, en Tachibana no Kachiko de eerste zenbeoefenaar. Dogen Zenji, de grote zenmeester uit de 13e eeuw, roemt haar en schrijft dat zij als eerste zazen meditatie vanuit China geïntroduceerd heeft.
Vanwege de naam van haar klooster werd ze ook wel keizerin Danrin genoemd.
Het lukte Giku niet om een blijvende zenlijn te stichten en hij keerde terug naar China.

Volgens de overlevering had de keizerin een prachtig uiterlijk. Dit betreurde ze ten zeerste, omdat het monniken en leken afleidde en ze haar niet hoorden als ze over illusie en de vergankelijkheid van het leven sprak.

‘Vogels pikken in het lijk van Tachibana no Kachiko’ door Takehara Shunsensai, 1841

Op 64-jarige leeftijd – nog steeds mooi – overleed ze. Tot afgrijzen van de keizerlijke familie had ze in haar testament opgenomen dat haar lichaam op straat zou worden gelegd, zodat iedereen kon zien hoe het wegrotte en opgegeten werd door aaseters en honden. Op die manier wilde ze alsnog iets laten zien wat bij haar leven zo moeilijk over te brengen was. Tot op de dag van vandaag heet deze plek in Kyoto het Kruispunt van Lijken.

Ryonen (leefde rond 1200)

Ryonen beoefende lange tijd bij de Daruma-shu. Deze school – genoemd naar Bodhidharma – was in de 12e eeuw gesticht door Dainichi Nonin en wordt wel gezien als de eerste zenschool van Japan. Ook de non Egi en de monnik Ejo (opvolger van Dogen Zenji) beoefenden aanvankelijk bij de Daruma-shu. In 1231 verliet Ryonen deze school en werd leerling van zenmeester Dogen. Ze was ongeveer 60 jaar, 35 jaar ouder dan haar nieuwe leraar. Ook Egi en Ejo gingen over naar het klooster van Dogen.

(Foto: Pexels)

Na de dood van keizerin Komyo in 760 was de boeddhistische gemeenschap door de eeuwen heen meer en meer een mannenbolwerk geworden, waarbij het voor vrouwen heel moeilijk was om gewijd te worden en onderricht te krijgen. Dogen was echter naar China geweest om het boeddhisme te bestuderen. In China kende men voorbeelden van vrouwelijk zenmeesters uit het verleden en werd het boeddhisme ook door vrouwen – zowel nonnen als leken – beoefend. Waarschijnlijk had Dogen hiermee een ruimere kijk op de beoefening van zen door vrouwen gekregen. Hij introduceerde soto-zen in Japan, een vorm waarbij zazen (zitmeditatie) centraal staat. Ryonen was een van zijn eerste leerlingen en Dogen respecteerde haar zeer. In zijn geschrift  Eihei Koroku (Eng: Extensive Records) richt hij zich drie keer tot haar in lovende bewoordingen als “Ryonen, jij die mij verreweg overtreft in het begrijpen van de Dharma” en “de kiem van prajna is altijd al in jou geweest”. En in een van zijn voordrachten prijst hij haar wijsheid, haar compassie met het lijden en haar grote hart.

Ryonen is waarschijnlijk overleden toen Dogen acht maanden vanuit het klooster op reis was naar de shogun in Kamakura. Toen hij terugkwam en zag dat ze niet meer leefde schreef hij twee gedichten ter ere van haar.

Zie ook de uitgebreide biografie.

Shogaku (leefde rond 1200)

Ze werd geboren in een welgestelde, adellijke familie. Nadat haar man overleden was, werd ze in 1225 non. Shogaku was een verre verwant van zenmeester Dogen en werd zijn leerling. Dankzij het geld en het land dat zij hem schonk, kon Dogen zijn tempel Kosho-ji uitbreiden. Er werd een ruimte gebouwd voor het geven van onderricht en een meditatieruimte voor de monniken. De nonnen woonden in verblijven die lager op de berg waren.

Egi (leefde begin 13e eeuw)

Egi had lange tijd, evenals Ryonen, binnen de Daruma-school gepraktiseerd, en was daar gewijd tot non. In 1234 werd ze leerling van zenmeester Dogen. Meer dan twintig jaar bleef Egi bij hem, zowel in Kosho-ji als in het latere Eihei-ji. Ze heeft Dogen lange tijd op zijn ziekbed in het klooster verzorgd, voordat hij op zijn reis naar een dokter overleed. Het feit dat Egi deze positie vervulde, geeft aan dat hij haar volledig vertrouwde. Dogen had groot respect voor haar en ook al heeft hij haar niet officieel dharma-transmissie gegeven, een maand voor zijn dood noemde hij haar wel de dharma-zuster van zijn opvolger Koun Ejo.

Nadat Dogen overleden was, was Egi een steun voor Ejo, en waarschijnlijk heeft ze Ejo geholpen met het samenstellen van de Shobogenzo Zuimonki (Engels: The Treasury of the True Dharma Eye: Record of Things Heard), de verzameling van dharma voordrachten door Dogen.

Mugai Nyodai (Chiyono) (1223-1298)

Ze is de eerste vrouwelijke zenmeester van Japan. Haar biografieën zijn pas na haar dood geschreven en daarnaast is helaas veel verloren gegaan door brand.

Geboren in de Adachi-familie, een samurai-clan, kreeg ze de naam Chiyono. De mannen van de clan waren elite-krijgers en de vrouwen hadden vaak een belangrijke rol als rentmeester. Chiyono kreeg een uitgebreide scholing met onder meer boogschieten, poëzie, literatuur, filosofie en geschiedenis. Ook leerde ze Chinees wat later in haar leven behulpzaam was toen ze zich intensief met zen bezig ging houden.
Ze trouwde met iemand uit de kring van regenten van de shogun en kreeg een dochter. Het was een roerige tijd met invasies van Japan door de Mongolen. Toen haar dochter getrouwd was en haar moeder overleed, richtte Chiyono zich steeds meer op het boeddhisme. Nadat ook haar echtgenoot overleden was, heeft ze onderricht gezocht bij verschillende zenmeesters. Hiertoe zou ze zelfs haar gezicht hebben verbrand, aangezien haar vrouwelijk voorkomen als een belemmering werd gezien. Ze werd de leerling van de Chinese zenleraar Wuxue Zuyuan (Jp: Mugaku Sogen of Bukko Kokushi) en liet zich wijden tot non. Haar boeddhistische naam werd Mugai Nyodai. Op dat moment was ze rond de zestig jaar en had al zo’n twintig jaar zenbeoefening achter de rug. Haar uiteindelijk ontwaken zou gebeurd zijn tijdens het dagelijkse water dragen, waarbij de bodem uit haar gammele emmer viel. Maar of haar ontwaken op deze manier is geweest of dat de Chiyono in dit verhaal een naamgenoot was, is tot op heden niet duidelijk. 

Na haar dharma-transmissie door Wuxue stichtte ze Keiai-ji in Kyoto, wat het belangrijkste klooster van het netwerk van vrouwenkloosters werd. Ze was een groot en zeer gerespecteerd zenmeester. Tegen het einde van haar leven is een levensgroot beeld van Mugai Nyodai gemaakt, zoals er in die tijd vaker werd gedaan. Pas in de jaren ‘80 van de vorige eeuw is ontdekt dat het beeld van deze zenmeester een vrouw was.

Beeld van Mugai Nyodai, 13e eeuw (Wikimedia)

Ze is een van de weinige vrouwen die opgenomen is in de officiële bloedlijn van de Rinzai-school en wordt genoemd in de Enpo dento roku (Eng: Transmission of the Lamp )uit 1706. Tot op de dag van vandaag worden er erediensten aan haar geboorte- en sterfdag gewijd.

Kakuzan Shido (1252-1305)

Kakusan was de tante van Mugai Nyodai, hoewel ze jonger was dan haar nicht. Ze werd geboren in de grote stad Kamakura als lid van de machtige Adachi-familie en kreeg de naam Horiuchi. Haar vader overleed toen ze één jaar oud was. Ze werd opgevoed met voorbeelden van krachtige vrouwen uit de samoerai-traditie. Op haar 9e trouwde ze met haar 10-jarige neef Hojo Tokimune. Tokimune werd regent van de shogun, en was daarmee feitelijk de machtigste man van het land. Het waren roerige tijden met invasies van de Mongolen. In 1271 kreeg Horiuchi een zoon. Evenals haar echtgenoot was ze zeer toegewijd aan het zen-boeddhisme en leerling van de Chinese zenleraar Wuxue Zuyuan (Jap: Mugaku Sogen, ook wel Bukko Kokushi, 1226-1286). Wuxue was de abt van Engaku-ji, het zenklooster dat Tokimune had laten bouwen.

Vlak voor de vroege dood van Tokimune in 1284 lieten beiden zich wijden en kreeg Horiuchi de naam Kakuzan Shido. Toen haar zoon kort daarna  aan de macht kwam, liet hij uit angst voor machtsovername het grootste deel van de Adachi-familie, de familie van zijn moeder, vermoorden. Kakuzan trok zich terug en stichtte Tokei-ji, naast Engaku-ji. Het was een zenklooster voor nonnen binnen de Rinzai-school, een school waarbij koan training centraal staat. In 1304 kreeg ze transmissie van haar leraar Tokei. Kakuzan wordt vermeld in de koancollectie Shonan katto roku uit 1545 (kwestie 87) met het verhaal van haar overdracht ceremonie waarbij ook haar samoerai-dolk een rol speelt. In een andere koan (kwestie 30) wordt beschreven hoe Kakuzan tot inzicht komt voor een grote spiegel die in het bezit is van het klooster, waarna ze de spiegel-meditatie introduceert.

Prent door Kitagawa Utamaro, c. 1789-1801, Honolulu Museum (Foto: Picryl)

Vele abdissen na haar hebben deze meditatie gebruikt om hun leerlingen tot ontwaken te brengen.
Kakuzan initieerde een tempelwet waardoor een vrouw die drie jaar in Tokei-ji verbleef officieel gescheiden was.  Het klooster was verboden voor mannen. Eeuwenlang bleef Tokei-ji een toevluchtsoord voor mishandelde vrouwen en vrouwen die niet langer bij hun man wilden blijven.   In 1873 is de scheidingwet vervallen, en Tokei-ji was niet langer een klooster voor vrouwen, maar kwam onder het beheer van de monniken van Engaku-ji.

Zie ook de uitgebreide biografie.

Ekan Daishi (leefde in de 13e eeuw)

Ekan was de moeder van de beroemde zenmeester Keizan Jokin (1268-1325). Ze was van jongs af aan praktiserend boeddhist en zeer toegewijd aan Kannon of Kanzeon, de bodhisattva van compassie (Sanskr: Avalokiteshvara, Chin: Guanyin). In de overgang van het boeddhisme van India naar China is de mannelijke bodhisattva veranderd naar een overwegend vrouwelijke gedaante. 

Onderdeel van de Lotus Soetra – hoofdstuk 25, Japanse rolschildering uit 1257 (Metropolitan Museum)

Ekan wilde heel graag een kind en richtte zich met haar devotionele beoefening dagelijks tot Kannon. Volgens de Lotus soetra hoort Kannon niet alleen iedere hulpkreet, maar is zij ook behulpzaam bij vruchtbaarheid en een goede bevalling.

If a woman wishes to give birth to a male child, she should offer obeisance and alms to Bodhisattva Perceiver of the World’s Sounds and then she will bear a son blessed with merit, virtue, and wisdom.
hoofdstuk 25 van de Lotus Soetra

Toen Ekan 37 was, bleek ze zwanger te zijn. Tijdens haar zwangerschap maakte ze iedere dag 1333 buigingen en bad ze tot Kannon dat het kind een spiritueel leider zou mogen worden, ten dienste van alle levende wezens. Samen met haar moeder Myochi voedde ze haar zoon Keizan op. Myochi, Keizans oma, was haar hele leven al een toegewijd boeddhist. Ze had dezelfde leraar gehad als Dogen en was later leerling geworden van Dogen die ze tevens financieel ondersteunde. 

Ekan nam de baby vaak mee naar haar favoriete tempel, de Sanjusangendo in Kyoto. Hier stonden 33.000 beelden van Kannon waarvan 1001 beelden met elf hoofden en twintig paar handen. Een overweldigende uitdrukking van de bodhisattva die iedere schreeuw hoort en alle mensen tot hulp is. Toen haar zoon 8 jaar was, stuurde Ekan hem naar Eihei-ji – het klooster dat in 1244 door Dogen gesticht was – om zijn spirituele opvoeding verder vorm te geven. 

In de jaren daarna stichtte ze twee Soto zenkloosters, Joju-ji en Hoo-ji. In 1309 werd ze abdis van Joju-ji en onderrichtte ze de Dharma. Ze overleed rond 1314  toen ze 87 jaar was.

Keizan geeft in zijn biografie aan dat het dankzij de grote toewijding van zijn moeder Ekan en grootmoeder Myochi is dat hij zenmeester werd.  Ook waren zij de inspiratiebron voor zijn inzet om vrouwen te onderrichten. Ter nagedachtenis aan hen beiden bouwde hij in 1322 op het terrein van zijn klooster Yoko-ji de tempel Enzuin. Deze tempel wijdde hij aan het welzijn van alle vrouwen. Hij plaatste er het beeld van Kannon dat Ekan hem op haar sterfbed had gegeven, en waar ze haar leven lang haar devotie aan gewijd had. In de voet van het beeld stopte hij de twee dingen van zichzelf die Ekan hem gegeven had: een pluk babyhaar van en zijn afgeknipte navelstreng.

De tempel Sanjusangendo in Kyoto met de tienduizenden beelden, bestaat tot op de dag van vandaag.

Detail van de 1001 Kannon beelden in de Sanjusangendo tempel in Kyoto ( Foto: website Sanjusangendo)

Seitaku (leefde in de 14e eeuw) 

Ze werd waarschijnlijk geboren binnen de vooraanstaande Hojo-familie. Haar wereldse naam was Sawa en ze trouwde met Sakurada Sadakuni. Hij was grootmaarschalk in het leger van het shogunaat, maar kwam in 1333 om in de binnenlandse oorlog tegen de keizer. Daarop besloot Sawa om non te worden in het nonnenklooster Tokei-ji, waarbij ze de boeddhistische naam Seitaku kreeg. Ze beoefende jarenlang bij zenmeester Daisen. Hij was de zeventiende abt van Engaku-ji, het klooster voor monniken waarmee het nonnenklooster verbonden was. Uiteindelijk werd Seitaku abdis van Tokei-ji, de derde in de rij.

Ze wordt vermeld in de koancollectie Shonan katto roku uit 1545 (kwestie 69) met “De zen van het papieren zwaard”. Hierin wordt verteld dat ze na haar avondmeditatie tijdens rohatsu – de viering van Boeddha’s ontwaken in december – van Engaku-ji naar haar eigen verblijf liep. Onderweg werd ze overmeesterd door een man die haar wilde verkrachten. Hij bedreigde haar met een zwaard, maar Seitaku rolde vliegensvlug een stuk papier van een document op. Terwijl ze er in het donker als een zwaard mee voor de ogen van haar aanvaller zwaaide, gaf ze een geweldige schreeuw waarin ze al haar energie samengebalde. De man was compleet overweldigd en vluchtte weg.

vrouwelijke krijger (Still uit de film ‘Women Were Some of the Fiercest Samurai Warriors Ever”)

Konto Ekyu (leefde in de 13e-14e eeuw)

Ekyu was de eerste vrouw in Japan die transmissie in de Soto-lijn van zen kreeg. Er is heel weinig over haar bekend. Ze was een leerling van zenmeester Keizan en hij ondersteunde haar beoefening door het vertalen van Dogens uitleg over de boeddhistische voornemens. Dogen had deze uitleg geschreven in kanji, het Japanse schrift dat gebaseerd is op Chinese karakters. Ekyu was niet geschoold in dit schrift, zodat Keizan het omzette in het eenvoudiger hiragana-schrift. In de Kroniek van Tokoku wordt verteld dat Keizan haar in 1323 haar transmissie gaf met de bijbehorende documenten.

Ze volgde Sonin op als abdis van de zentempel Enzuin. Deze tempel was gebouwd door Keizan op zijn kloostercomplex Yoko-ji, en alleen toegankelijk voor vrouwen.

Mokufu Sonin (leefde in de 14e eeuw)

Ze was de vrouw van Shigeno Nobunao, bestuurder van de provincie Shinshu. Ze is bekend geworden onder haar boeddhistische naam Mokufu Sonin. Haar moeder was leerling van zenmeester Keizan en had de boeddhistische naam Shozen. In 1319 liet Sonin zich wijden door Keizan. Samen met haar man schonk ze een stuk land en doneerde geld waardoor Keizan het Soto zenklooster Yoko-ji kon stichten. In 1322 liet Keizan op het kloosterterrein Enzu-in bouwen, een tempel voor Kannon ter nagedachtenis van zijn grootmoeder en moeder. Sonin werd de eerste abdis van Enzu-in. 

Er was een bijzondere band tussen Sonin en Keizan. Hij zag in haar de reïncarnatie van zijn grootmoeder die een grote inspiratiebron voor hem was geweest en vergeleek hun relatie met een magneet en ijzer. Sonin wordt in de geschriften van Keizan niet genoemd als een van zijn opvolgers, hoewel de Nihon Tojo rentoroku wel vermeldt dat ze transmissie gekregen heeft van Keizan. Vlak voor zijn dood benoemde hij haar als het hoofd van een van zijn kloosters, Hoo-ji.

Sonin overleed een paar jaar na haar zenleraar toen ze meer dan 80 jaar oud was.

Eshun (1362 – ca. 1430)

Eshun was de zus van Soto zenmeester Ryoan Emyo, stichter en abt van Saijoji-ji. Ze wilde niet trouwen en vroeg haar broer om haar tot non te wijden. Omdat Eshun zo’n mooie vrouw was, weigerde hij, want hij was bang dat de monniken afgeleid zouden worden door haar aanwezigheid. Bovendien vond Ryoan dat het monastieke leven alleen voor mannen was. Eshun was echter vastbesloten. Ze schoor haar hoofd kaal en verbrandde haar gezicht met een roodgloeiende pook. Toen haar broer dit zag, wijdde hij Eshun en stond haar toe om te beoefenen. Ondanks haar verminkingen bleef ze avances krijgen van monniken. Maar Eshun was zeer adrem, wist goed overeind te blijven in de mannenwereld en had groot inzicht in de Dharma. Dit blijkt onder andere uit de keer dat ze een boodschap van haar broer, de abt, overbracht naar een ander klooster. Bij de kloosterpoort tilde een monnik zijn pij op en verkondigde dat zijn ding een meter lang was. Eshun tilde haar pij omhoog en zei: “Het ding van de non is oneindig diep.”

Toen Eshun oud was liet ze een groot vuur maken en ging er mediterend in zitten. Haar broer kwam schreeuwend aanrennen, en vroeg “Is het heet?”. “Voor wie de weg gaat, is er geen heet en koud”, antwoordde Eshun en liet haar schoonheid tot as vergaan.