Vrouwelijke voorouders – meerwaarde

VOLLEDIGHEID

In de zentraditie staan mannen centraal. Dit zien we terug in allerlei aspecten zoals in koans, in de spirituele bloedlijn met patriarchen, in de recitaties van de boeddhistische dienst, tijdens ceremonies als jukai (het afleggen van de boeddhistische gelofte), shuke tokudo (de wijding tot thuisloze, ook wel monnik of non genoemd) en shiho (dharma transmissie). Wat opvalt is dat vrouwen de grote afwezige zijn.

Vrijwel alle verhalen binnen zen gaan over mannelijke beoefenaars die meestal een praktijk uitoefenden binnen een monastieke omgeving. Hiermee ontbreekt het beeld van vrouwen, van nonnen, van matriarchen. 

Als vrouwen al voorkomen in deze teksten dan is het beeld en de rol vaak zeer summier, en slechts ter ondersteuning van het verhaal over de mannelijke hoofdpersoon. Zo zijn er af en toe oude vrouwen die in de vertelling thee schenken langs de weg, rijstkoeken verkopen, een tegenligger zijn op de weg van een monnik, of die de weg wijzen. En soms zijn ze nietsontziend, steken een hut in brand, geven een zenmeester een draai om zijn oren of hanteren de pook als onderricht naar monniken. Kenmerkend voor deze vrouwen is dat ze geen naam hebben. Geen naam, geen status, maar hun handelen getuigt van een verlichte geest.

Daarnaast zijn er gelukkig ook vrouwelijke beoefenaars waarvan we wel een naam weten en (een deel van) hun geschiedenis. Door de traditie aan te vullen met deze vrouwelijke voorouders van zen wordt een leemte opgevuld die verrijkend is voor alle beoefenaars. Met de zoektocht, vragen en wijsheden van de grootmoeders naast die van de grootvaders wordt de spirituele stamboom volledig en evenwichtiger.

HERKENNING

Politieke, culturele en maatschappelijke omstandigheden hebben veel beperkingen gegeven voor vrouwen. Deze beperkingen leidden tot een andere weg van beoefening en een andere uitdrukking van de dharma. Daarmee geven verhalen van vrouwelijke beoefenaars vaak een andere inspiratie dan de verhalen over mannen. Zo waren er aspecten in hun situatie die overeenkomen met de context waarin hedendaagse beoefenaars zitten, zoals niet binnen een klooster praktiseren, verplichtingen naar gezin en familie hebben, en geen financiële ondersteuning van andere mensen of de overheid om te beoefenen. Er zijn ook voorbeelden van vrouwelijke zenmeesters die niet in een klooster woonden en geen vaste groep van leerlingen om zich heen hadden, maar gewoon in het dagelijks leven als echtgenote en oma hun zenmeesterschap uitoefenden, zie onder meer Satsu . Ook waren er vrouwen die na hun transmissie een eigen bedrijf begonnen en als ZZP-er leefden, zoals Yu Daopo en Zhidong/Kongshi Daoren

“Otafuku maakt dumplings” getekend door zenmeester Hakuin, Shinwa-an Collectie


Dit betekent dat we voorbeelden hebben van beoefening te midden van het gewone, dagelijks leven. We bevinden ons in die zin niet in een nieuwe situatie. 

VERRUIMING

Een andere uitdrukking van beoefening die we in het verleden vaker bij vrouwen zien is de zogenaamde ‘weg van het toestaan’, in tegenstelling tot de ‘weg van het toe-eigenen en nemen’. Bij het toestaan wordt meer gepraktiseerd vanuit het dagelijks leven, de omstandigheden die nu eenmaal gegeven zijn, waarbij emoties een onderdeel van het pad zijn en de beoefening meer in relatie tot de ander verloopt. Het toe-eigenen kenmerkt zich meer door strijd, het bevechten en ‘de graal bemachtigen’ (zie ook Norman Fischer in het voorwoord van het boek Het Verborgen Licht). Hierbij gaat het niet over een goede en foute manier. Beide wegen zijn mogelijk en zijn waarschijnlijk door zowel mannen als vrouwen bewandeld. Maar de weg van het toestaan zien we meer naar voren komen in de verhalen van vrouwen. Met als toevoeging dat de indeling in twee wegen natuurlijk conceptueel is en de uniciteit van de daadwerkelijke zoektocht nooit kan weergeven.

VERBREDING VAN THEMA’S, SITUATIES EN WOORDEN

Een aantal thema’s zijn door de inclusie van vrouwelijke voorouders toegevoegd dan wel explicieter gemaakt. Zo is het erkennen en werken met emoties als onderdeel van de zen-beoefening een thema dat regelmatig naar voren komt  in de verhalen over boeddhistische vrouwen. Het gaat hierbij niet over het ontstijgen aan emoties, maar over volledig mens-zijn vrij functionerend vanuit de situatie. Voorbeelden van emoties zijn: het verdriet over de dood van een naaste, eenzaamheid, de liefde voor een vriendin of leraar, de machteloosheid over een situatie die zoveel beperkingen geeft en het verlangen naar wat er niet is. Zie de biografieën van Satsu, Zhidong/Kongshi Daoren, Miaohui, Zhiyuan Xinggang.

Een ander thema dat veelzijdiger belicht wordt met beoefening door zowel mannen als vrouwen is seksualiteit. In verhalen die uitsluitend over mannelijke beoefenaars gaan worden seksuele gevoelens regelmatig geëxternaliseerd. De vrouw zou de bron van verleiding zijn, een bron die buitengesloten moet worden. Bij een paar verhalen waarin ook nonnen of vrouwelijke leken een hoofdrol spelen, krijgt deze bestempeling soms een hilarische wending. Het idee dat de vrouw de schuld is van seksuele lust bij de monnik wordt van tafel geveegd, en door de betreffende non aangegrepen om zeer direct dharma onderricht te geven. Zie bijvoorbeeld de biografie van Miaozong en Eshun

Door het thema seksualiteit aan de orde te stellen, krijgt het de plek die het verdient, namelijk een onderdeel van ons leven en dus van onze beoefening.



Een thema dat helaas toegevoegd is naar aanleiding van beoefening door vrouwen is uiterlijke schoonheid als obstakel bij het toegelaten worden tot dharma-onderricht. Omdat vrouwen vaak als de vertegenwoordiging van verleiding gezien werden, werd hun soms de toegang tot onderricht ontzegd. Ze zouden de hoofden van mannelijke beoefenaars op hol brengen en hun spirituele voortgang belemmeren. Het probleem werd bij de vrouwen gelegd en opgelost door ze niet toe te laten. Sommige vrouwen waren zo gedreven in hun verlangen naar ontwaken, dat ze hun gezicht opofferden. Ze verminkten zichzelf op vreselijke wijze om de verleiding die ze uit zouden stralen weg te nemen. Voorbeelden hiervan zijn Ryonen Genso en Eshun. Ook Mugai Nyodai heeft waarschijnlijk haar gezicht verminkt met een hete pook. Deze geschiedenissen roepen vragen op over het omgaan met verleiding, die ook voor hedendaagse beoefenaars actueel kunnen zijn.

Met de aandacht voor vrouwelijke voorouders breidt het spectrum aan situaties waarin beoefend werd, zich uit. In de levens van sommige vrouwen komt bijvoorbeeld het verlies van een kind en de zorg voor ouders aan de orde. Zie de geschiedenis van Patacara, Kisagotami, Sumana, Zhidong/Kongshi Daoren.

Niet alleen krijgen we meer voorbeelden van omstandigheden waarin beoefend wordt, maar ook andere voorwerpen en metaforen. Zo was er de spiegelmeditatie, geïntroduceerd door Kakuzan, om de opening naar ontwaken te bevorderen. In de geschiedenis van Xinggang wordt gesproken over het baren van een embryo. Ook bij de godin Prajnaparamita, de verbeelding van ‘wijsheid voorbij wijsheid’  wordt gesproken over haar schoot waaruit alle boeddha’s geboren worden. Hiermee komt een ander soort energie naar voren, wat voor sommige beoefenaars behulpzaam kan zijn. Zo vertelt Joan Sutherland Roshi in één van haar dharma-talks hoe het haar hielp om alleen al het woord ‘zij’ te gebruiken in koans in plaats van ‘hij’.