Vrouwelijke voorouders – overdracht

Overdracht bij mannen

In zen wordt vaak gesproken over de overdrachtslijn. Dit betreft een stamboom, de spirituele bloedlijn, die begint bij boeddha Shakyamuni Gautama en in meer dan tachtig generaties eindigt bij de hedendaagse zenleraar. Het idee is dat de erkenning als leraar van de ene persoon op de andere persoon is overgedragen. Dit wordt transmissie genoemd.

Deze overdrachtslijn is historisch niet juist. Er zitten, zeker in het vroege deel, zelfs personen tussen waarvan we niet eens zeker weten of ze wel bestaan hebben. In die zin is er het een en ander bedacht en vervolgens aan elkaar geplakt. Dit gebeurde tijdens de Tang-dynastie in China, ca. 9e en 10e eeuw.

Mede vanuit de confucianistische voorouderverering werd er veel belang gehecht aan een overdrachtslijn, wat de status en de kans op het verkrijgen van financiën van de overheid vergrootte. Er werd een opvolging samengesteld van leraren, patriarchen genaamd, die vervolgens van generatie op generatie gehanteerd is. Net zoals bij een wereldlijke stamboom zijn er diverse takken, maar allemaal gaan ze terug tot op de historische Boeddha. 

Alleen maar mannen?

Deze lijst met namen van leraren uit India, China en Japan bestaat alleen uit mannen. Van één naam zijn sinds eind 20e eeuw vermoedens dat het een vrouw is. Het gaat hierbij om Prajnatara (Hannyattara). Zij/hij was de leraar van de bekende patriarch Bodhidharma, en zou dus geen patriarch maar matriarch zijn. *

* Zie ‘Shobogenzo‘ hoofdstuk 50 van Dogen Zenji (vertaling door Shasta Abbey), en Lion’s Roar



(Foto: Pixabay)
Sporen in het landschap

De overdracht in de vorm van een lijn is een mannelijke aangelegenheid. We hebben geen vrouwelijke ‘bloedlijn’. Los van het feit dat het bij mannen ook geen historisch kloppende lijn is, is de overdracht bij  vrouwen over het algemeen heel anders verlopen. De redenen hiervoor zijn veelal de beperkingen die vrouwen en nonnen millennialang ondervonden (zie Vrouwelijke voorouders – historisch) – en soms nog steeds ondervinden, met name in een aantal Aziatische landen. Overdracht ging in een aantal gevallen direct van vrouwelijke zenmeester op leerling, maar veel vaker is er meer sprake van ‘doorsijpelen’.

Een vergelijking kan het verschil tussen de overdracht bij mannen en de overdracht bij vrouwen overdracht misschien duidelijk maken. In Londen stroomt de Thames, een duidelijke rivier met een beginpunt en een plek waar de uitmonding in zee is. Londen kent en kende door de tijd heen echter ook veel ondergrondse rivieren, zoals de Fleet, de Brent, de Rom. Hierbij stroomt het water kilometers lang onder de oppervlakte om verderop weer boven de grond uit te komen. Deze ondergrondse beken en rivieren laten hun sporen na in het landschap qua begroeiing waardoor ze van invloed zijn. Zo zou je ook de invloed van veel vrouwelijke meesters uit het verleden kunnen zien: niet in de vorm van een concrete lijn maar wel doorwerkend op de volgende generaties.